Solvabiliteit is de verhouding tussen je eigen vermogen en je totale vermogen. Ze geeft aan in hoeverre je onderneming schulden op lange termijn kan opvangen. Voor de inkomensverklaring geldt als norm een solvabiliteit na correcties van minimaal 25% in het laatste boekjaar. Ligt die lager, dan zijn meestal tussentijdse cijfers van het lopende jaar nodig.
Hoe bereken je je solvabiliteit?
De formule is: (eigen vermogen / totaal vermogen) x 100%. Het totale vermogen is je balanstotaal. Staat er € 40.000 eigen vermogen op een balanstotaal van € 125.000, dan is je solvabiliteit 32%.
Bij het opstellen van de inkomensverklaring wordt niet naar de kale balans gekeken, maar naar de balans na correcties. Spaargeld en beleggingen in box 3, een achtergestelde lening of een stille reserve in je bedrijfspand kunnen je eigen vermogen verhogen. Bij een stille reserve en box 3-vermogen stijgt daarnaast je balanstotaal of je vlottende activa, terwijl goodwill van je eigen vermogen en je balanstotaal af gaat. De solvabiliteit wordt daarna getoetst.
Welke norm geldt er?
Een solvabiliteit van 25% of hoger wordt voldoende geacht. Die norm geldt voor IB-ondernemers, zoals een zzp'er of eenmanszaak, en voor DGA's met 5% of meer van de aandelen, direct of indirect. Ook je liquiditeit (minimaal 1) en de winstgevendheid van het laatste boekjaar worden beoordeeld. Geldverstrekkers kunnen eigen of afwijkende eisen hanteren.
Hoe wordt de trend in je solvabiliteit beoordeeld?
Om trends objectief te beoordelen wordt een bandbreedte van 20%, 25% en 30% gebruikt. De belangrijkste situaties:
Gedaald met meer dan 10% van het percentage van het jaar ervoor, en de solvabiliteit valt tussen 20% en 30%: dan zijn tussentijdse cijfers nodig. Daaruit moet een trendbreuk blijken; de solvabiliteit moet gelijk blijven of stijgen en minimaal 25% zijn.
Minder dan 10% gedaald, maar onder 25% gekomen: dan zijn in de regel ook tussentijdse cijfers nodig, waaruit een trendbreuk blijkt en waarin de solvabiliteit minimaal 25% is.
Gestegen, maar tussen 20% en 25%: tussentijdse cijfers nodig, met minimaal 25%.
Onder 20% in het laatste jaar: op basis van die cijfers wordt geen inkomensverklaring afgegeven.
Rekenvoorbeeld: vier keer een andere trend
Eva heeft een eenmanszaak, en is dus IB-ondernemer. Haar eigen vermogen is € 40.000 bij een balanstotaal van € 125.000: een solvabiliteit van 32%. Vier verschillende trends bij dezelfde norm:
Van 34% naar 28%: een daling van 6 procentpunt, meer dan 10% van 34% (dat is 3,4). De solvabiliteit valt binnen de bandbreedte, dus zijn tussentijdse cijfers nodig met minimaal 28%.
Van 19% naar 24%: gestegen, maar tussen 20% en 25%. Tussentijdse cijfers nodig met minimaal 25%.
Van 40% naar 35%: gedaald, maar boven 30%. Daarvoor zijn geen tussentijdse cijfers nodig.
Van 18% naar 19%: gestegen, maar onder 20%. Dan wordt op basis van die cijfers geen inkomensverklaring afgegeven.
Dit is een vereenvoudigd, fictief voorbeeld: de uitkomst verschilt per situatie.
Wat als je solvabiliteit net niet voldoet?
Voldoet je balans in het laatste boekjaar niet, maar wel op basis van de tussentijdse balans van het lopende jaar, dan kan de rekenexpert daar een onderbouwd oordeel over geven. Dat is een mogelijkheid, geen garantie.
Ratio's die net niet voldoen, leiden bij een standaardbeoordeling al snel tot een afwijzing. Soms oogt een balans op papier ook zwakker dan de onderneming in werkelijkheid is, bijvoorbeeld door een bewuste herstructurering of forse investeringen die nog niet zijn terugverdiend. Bij maatwerk kan door de balans heen worden gekeken, om te proberen te zien hoe de onderneming echt draait. Staat je eigen vermogen onder druk, lees dan ook heeft een negatief eigen vermogen invloed?
Voordat de analyse begint, controleert overviewz gratis of een inkomensverklaring haalbaar is op basis van je stukken. Start je aanvraag.

